Saskia had een zware postnatale depressie: ‘Ik wilde mijn baby terugbrengen’

Janne Vogel 5 mrt 2018 De mama

Wanneer je hele omgeving op een roze wolk zit en jij het gevoel hebt dat je zojuist in de hel bent beland, kan dit je heel erg aan jezelf laten twijfelen. Saskia Oudshoorn belandde direct na de bevalling van haar zoontje in een zware postnatale depressie. Haar ervaringen verwerkte ze in roman ‘Ben ik nou gek?’. Een bron van herkenning voor vrouwen die hetzelfde hebben doorgemaakt.

De shock

‘Tijdens de zwangerschap merkte ik niets. Ik was voorbereid. Ik zat goed in m’n vel, de kinderkamer was ingericht en ik keek uit naar de bevalling. Toen het moment daar was sloeg alles om. Mijn eerste gedachte na de bevalling was dat ik weg wilde. Ik wilde weg, naar huis. Rust en niet dat gezeur en gehuil aan mijn hoofd. Ik wilde normaal leven en was me totaal niet bewust van wat er allemaal gebeurde. Het enige wat ik wilde was terug naar mijn leven vóór de zwangerschap. Alles ongedaan maken. Ik was zo in mijn hoofd bezig dat ik de nieuwe situatie niet eens kon zien. Ik was in shock.

Andere mensen waren zo vol van de baby, dat ze niet merkten hoe ik eraan toe was. Het viel niemand op dat ik er maar een beetje apathisch bij zat. Mensen willen horen dat jij zegt dat alles fantastisch en leuk is, maar dat kwam niet eens in me op. Ik wist alleen dat ik absoluut niet wilde wat er op dat moment gaande was. Ik vond het niet leuk dat iedereen kaartjes stuurde, ik vond het niet leuk dat er een box in mijn kamer stond en ik vond het al helemáál niet leuk dat daar een huilend poppetje in lag.

Niet oké

Uiteindelijk kwam er een verpleegkundige naar me toe die door had dat het met mij niet oké was. Ze vroeg me wat ik van het baby’tje vond, hoe ik me voelde en hoe ik de toekomst zag. De antwoorden die ik gaf waren zorgelijk. Toen ik haar vroeg wanneer de baby weg zou gaan en wanneer mijn leven weer normaal zou worden, wist ze dat ze alarm moest slaan.

Dat de baby in kwestie mijn baby was en natuurlijk niet zomaar weer weg zou gaan, besefte ik niet. Het voelde meer alsof ik aan het oppassen was en wel weer klaar was om naar huis te gaan. Alsof ik zomaar een random baby mee had gekregen uit het ziekenhuis. Opeens, uit het niets. Wat moest ik hiermee? Hoe kon ik ‘m zo snel mogelijk weer terugbrengen? Ik besefte niet wat er aan de hand was. Dat ik zijn moeder was wist ik ergens in mijn achterhoofd wel, maar dat betekende voor mij niet dat het ook mijn kind was. Die link legde ik niet.

De verpleegkundig schakelde een psychiater in en niet lang daarna werd ik opgenomen. De opname was voor mij een enorme opluchting. Er zeurde niemand meer aan mijn hoofd zoals thuis. Familie, vrienden, iedereen wilde thuis constant langskomen en was in de wolken en dat was ik niet. In het ziekenhuis was niemand in zo’n superhappy modus, daar zag ik opeens moeders die net zo chagrijnig keken als ik. Ik was bij lotgenoten en kwam eindelijk tot rust. Ondertussen had ik hier ook de tijd om te beslissen wat ik met het kindje, dat schijnbaar bij mij hoorde, zou gaan doen. Hoe ik mijn ‘probleem’ zou gaan oplossen.

LEES OOK: Postnatale depressie: hoe de roze wolk plaats kan maken voor kraamtranen

Blijven zorgen

Ik vond het nergens op slaan, maar het was in het ziekenhuis wel de bedoeling dat ik voor het kindje bleef zorgen. Om de zoveel tijd moest ik hem voeden, zijn luier verschonen en een beetje met ‘m spelen. Ik vond het op zich prima dat ze dit van me vroegen, maar of ze me nou kindje A, kindje B of kindje C zouden geven, dat maakte mij niet uit.

Mijn dagen kwam ik een tijd lang op deze manier door en dat vond ik prima. Tot de psychiater me op een dag vroeg wanneer ik eigenlijk weer naar huis ging. Naar huis? Dat was niet de bedoeling. Dit was het moment dat ik met mijn neus op de feiten werd gedrukt. Ik moest een keuze gaan maken. Ging ik dit kindje – dat nog steeds totaal niet voelde als míjn kindje – houden, of wilde ik dat niet?

Alles gebeurde ondertussen van binnen. Ik durfde niet uit te spreken dat ik manieren zocht om zo snel mogelijk van het kindje af te komen, mensen zagen me al aankomen. Ik was in mijn eentje op zoek naar oplossingen, maar die waren er natuurlijk niet. Ten eerste zou mijn man – natuurlijk! – niet achter me staan en ik werd in de gaten gehouden. Ik kwam hier niet zomaar van af.

Toegeven

Met het oog op mijn omgeving en mijn relatie, voelde het als de makkelijkste optie om toch toe te geven en de baby mee naar huis te nemen. Het niet accepteren van het kindje zou me sowieso mijn huwelijk kosten en iedereen zou er een mening over hebben. Die keuze hield wel in dat ik moest gaan inzien dat dit wezentje bij mij hoorde. Ik moest het bewust gaan accepteren, hoe erg ik het ook vond.

Tegen mijn psychiaters was ik eerlijk, maar mijn directe omgeving had geen idee van wat er allemaal in mijn hoofd om ging. Als ik het baby’tje oppakte, zag ik eruit zoals elke moeder die haar baby’tje oppakt. Dat ik er niets van liefde bij voelde, was voor de buitenwereld natuurlijk niet te zien. Mensen gaan er zo vanuit dat je je vanaf het eerste moment met je kind verbonden voelt, dat het niet eens in ze opkomt dat je niks met ‘m te maken wilt hebben. Als ik toch iets negatiefs uitsprak, kreeg ik te horen dat dit allemaal normaal was. ‘Ik voelde me ook niet echt top na mijn bevalling, hoor. Dat gaat over.’ ‘Ach, we hebben allemaal weleens een dipje.’ Iedereen probeert je terug te duwen op die roze wolk.

Knop om

Toen ik de knop om had gezet en zeker wist dat ik de baby zou houden, ben ik heel bewust naar ‘m gaan kijken, in mini-stapjes. Ik sprak met mijn psychiater af dat ik over een x-aantal weken naar huis zou gaan en in de tussentijd zou werken aan veranderingen. Ik ging bewust voor de baby zorgen. Hem bewust aankleden. Bewust naar hem kijken terwijl hij zijn melk dronk. En naar hoe hij sliep. Achteraf ging ik na wat ik nou precies voelde, als ik hem zo bewust zag. Zo ben ik beetje bij beetje gewend aan de situatie. Op een gegeven moment ging hij lachen en zelf ook een beetje communiceren, en kwam ik erachter dat hij echt naar míj keek en op mij reageerde. Het houden van kwam zo geleidelijk. Ik besefte eindelijk dat ik zijn moeder was en niet zijn verzorgster.

LEES OOK: Heftig… 60% van de jonge moeders ervaart postnatale eenzaamheid

Openheid

De gesprekken met moeders die hetzelfde doormaakten als ik en de sessies met mijn psychiater hebben mij geholpen om te komen waar ik nu ben. Ik kan aan iedereen meegeven: wees open over wat je overkomt. Dan pas krijg je van anderen te horen dat het bij hen ook écht niet altijd makkelijk verliep en ontmoet je mensen die hetzelfde doormaken of hebben doorgemaakt. Je gaat namelijk zó aan jezelf twijfelen. Ik vraag me nog steeds weleens af of ik net zoveel van mijn zoon houd als een moeder bij wie alles vanaf het begin wel meteen goed voelde. Ik wil die garantie zo graag hebben, maar die krijg ik natuurlijk niet. Mijn zoon is inmiddels acht en ik hou zielsveel van hem. Hij wil op zijn beurt nog steeds met mij trouwen, dus dat zit allemaal wel goed. Toch zou ik soms zo graag bevestigd willen hebben dat ik ‘normaal’ ben. Het feit dat ik niet met een warm gevoel terugkijk naar de babyfoto’s van mijn zoon en die zoektocht naar bevestiging zijn dingen die me nu nog achtervolgen.

Er rust nog steeds een enorm taboe op postnatale depressie en in mijn ogen zou openheid dit moeten doorbreken. Er zijn zoveel moeders die dit doormaken, niemand zou het gevoel moeten hebben dat ze er alleen voor staat. Mijn boek is een stap in de goede richting.’

Reageer op artikel:
Saskia had een zware postnatale depressie: ‘Ik wilde mijn baby terugbrengen’
Sluiten